 |
 |
|
foto
Octaaf en Vilou |
|
|
|
|
|
Behalve de
wereld naar zijn zin, Schiep de Schepper in het begin,
naast de vele andere dieren, speciaal nog één hond
erbij. Waarvoor hij nam, wat leem en klei. De wensen van
alle bazen werden via de neus erin geblazen. Zo ontstond
de Boxer fier, maar niet lang voor zijn plezier. Naast
vele dieren, die hem eerden, waren er, dit valt te
vermelden, die niet aarzelden hem uit te schelden. De
Boxer alras in woede ontstoken, terwijl zijn bloed ging
koken, Sprong van zijn voetstuk naar beneden en is
helaas uitgegleden. Hij viel, ja het is serieus, bovenop
zijn hondenneus. Jammer genoeg was de leem nog zacht en
dat was wat. Zijn fraaie neus werd daardoor plat. De
Boxer bleef gedoemd, er was géén andere keus, te leven
met een platte neus. (Door C.M.Pleyte)

De
geschiedenis
DE BOXER
In
de Middeleeuwen ontwikkelde zich een theorie,dat het
vlees van een rund, dat zonder meer was geslacht,taai en
nagenoeg oneetbaar zou zijn...Daarom werd het vee kort
voor de slacht opgehitst, waardoor het vlees smakelijker
zou worden. Om die reden hadden verschillende slagers
grote en zware honden in dienst, die het slachtdier kort
voor het slachten nog eens extra moesten plagen en
ophitsen, alvorens de slachtbijl viel.
BULLEBIJTERS
Op
het lawaai dat dit met zich meebracht, kwam uiteraard
heel wat publiek aanrennen.

Men wist immers dat vertier was, en dat er binnenkort
vers vlees zou zijn. Vooral vanwege dit ophitsen
begonnen sommige mensen zich toe te leggen op het fokken
van een nieuwe generatie kleinere en wendbaarder
honden,die we nu uit de geschiedenis kennen als de
Bullebijters.
Het is in onze West-Europese landen eeuwenlang de
gewoonte geweest om honden op te hitsen tegen runderen
en ander slachtvee. Het liefst uiteraard tegen stieren,
omdat die volgens de algemeen heersende overtuiging het
gevaarlijkst waren. Maar ook tegen beren liet men de
honden vechten.In Engeland gebeurde dat met de Bulldog,
in onze streken met de Brabanter Bullebijter, in
Duitsland met de iets grotere Danziger Bullebijter en in
Spanje met de Spaanse Bulldog.
Een
duidelijke beschrijving van het bullebijten vinden we in
het boek 'Der volkommene Teutsche Jäger' dat Hans von
Fleming in 1719 in Leipzig publiceerde.Het is
interessant om daaruit enkele passages over de 'Bären-'
of 'Bollbeiszer' te lezen:
'Het zijn middelmatig grote honden, maar zwaar van bouw;
ze hebben een brede borst, een kort dik hoofd met een
korte oplopende neus; rechtop gedragen en spits
toegesneden oren en een dubbel gebit... daarom laten ze
zo moeilijk los... Ze lopen wat lomp, zijn echter wel
sterk, zwaar en zitten goed in het vlees... Behalve de
grote Danziger Bollbeiszer komt in Brabant een andere
soort voor. Deze zijn middelgroot en meestal kleiner dan
het eerstgenoemde slag, maar wat ledematen en algemene
bouw betreft, zijn ze hetzelfde. Ze heten Brabander
Bullebijters. Als er weinig beren zijn, worden de honden
afgericht om stieren of ossen na te zitten en aan te
vallen, hoewel dit eerder een sport is die past bij de
slager dan bij de jager... Ik heb in Brabant een stier
gezien, die werd opgejaagd door honden. Hij was
vastgeketend aan een lange ketting toen hij door
dergelijke honden werd aangevallen. Ze hielden hem vast
aan de neus en keel, terwijl hij in een kring rondrende.
Deze honden worden ook gebruikt als erf hond en
kettinghond. Hun lelijke uiterlijk alleen al maakte ze
tot geschikte waakhonden. De meeste hebben een korte
neus met een zwart masker en de onderkaak steekt naar
voren uit. Ze zijn meestal geel of met bruine strepen,
ze zien er vals uit en schijnen kwaadaardig te zijn.'
Na de Napoleontische periode kwam het bullebijten
nauwelijks nog voor en de nazaten van deze 'Bollbeiszer'
werden steeds meer als waak en huishond gehouden.
GRONDVORM
Wat de karakterbeschrijving van Von Fleming betreft,
vergiste hij zich toen hij schreef 'ze zien
er vals uit
en schijnen kwaadaardig te zijn.' De bullebijters hadden
in het algemeen helemaal geen slecht karakter, al zagen
de honden er qua uiterlijk wellicht nog zo boosaardig
uit. Zeker, de honden werden onder meer als waakhond
gebruikt en indien nodig werden onwelkome bezoekers ook
vreselijk weerbarstig tegemoet getreden. Maar tegenover
de eigenaar en diens huisgenoten waren deze voorvaderen
van de Boxer vriendelijk en zachtmoedig, zodat de honden
ook in het woonhuis mochten komen en aan het
familieleven deelnamen. De kleinere Brabander
stierenbijter is de grondvorm van de tegenwoordige
Boxer. De Engelsen namen het overtypische en groteske
van de kleine stierenbijter aan en fokten zo hun Engelse
Bulldog.De Duitsers daarentegen probeerden voor alles de
gebruikswaarde te behouden en daarmee was dan ook de
werkvorm van de Boxer aangegeven. Met name in het midden
van de vorige eeuw was het door de voorliefde voor
Engelse honden onvermijdelijk dat men ook Engelse
Bulldoggen in de kleine stierenbijters in kruiste.
Spoedig overheerste, vooral in Zuid-Duitsland, de naam
'Boxer' voor alles wat Bulldoggen, stierenbijters en hun
kruisingsproducten vormde. Daarbij was het duidelijk dat
het type van de kleine stierenbijter taai overerfde, wat
aangemerkt werd als 'een zeker teken van ouderdom van
het ras'.
DE NAAM
In het begin van 1890 begon men in München met het
fokken van de Boxer volgens een vooropgezet plan. Men
wilde een hond die massa, schoonheid en aantrekkelijk
gedrag combineerde. De hond zou een groot
uithoudingsvermogen moeten hebben en toch een hoge
snelheid kunnen ontwikkelen. Hij zou moeten kunnen
springen als een kat, terwijl hij toch zou moeten kunnen
aanvallen en verdedigen als een Mastiff. Op het eerste
gezicht lijkt een aantal van deze eigenschappen
tegenstrijdig met elkaar; maar als we naar de huidige
Boxer kijken, moeten we constateren, dat er veel van
deze wensen is waargemaakt. Opvallend zijn de eerste
honden die voor dit doel werden gebruikt. George Alt,
een van de eerste liefhebbers van het ras, importeerde
in 1887 uit Frankrijk een donker gestroomde teef met de
naam 'Flora' en zijn teef werd gedekt door een ter
plaatse aanwezige hond. George Lechner
kocht uit dit
nest een hond, die bekend is geworden onder de naam 'Lechners
Box'. Hier staan wij voor een raadsel, dat nog nooit is
opgelost. De eerste liefhebbers waren immers Duitsers en
chauvinistisch als een ieder is, de mensen uit Beieren
zeker niet uitgezonderd, zou het voor de hand liggen,
wanneer het nieuwe ras een Duitse naam zou hebben
gekregen. De naam Boxer is echter geheel en al Engels,
tenzij de rasnaam is afgeleid van de hond van George
Lechner. Omtrent de naamgeving van het Boxerras is
echter niets met zekerheid bekend.
AAN
DE SPITS
Men kan zich wel de vraag stellen of de Boxer
een typisch Duits ras is.
Naast de eerste Franse import door George Alt en
de gebruikte lokale Duitse honden,werden ook
Engelse Bulldoggen gebruikt.
Nu kunnen we verbaasd zijn over deze kruisingen,
maar we dienen ons wel te
bedenken, dat aan het
einde van de vorige eeuw de Engelse Bulldog veel
meer overeenkomst toonde met de huidige Boxer
dan met de huidige Bulldog.
En als we ons tenslotte realiseren, dat de Boxer
voortkwam uit de Brabander Bullebijter en al
heel vroeg in Nederland een tweede
ontwikkelingsland vond, dan kunnen we haast
stellen, dat de Boxer het eerste ras was van de
Europese Gemeenschap.In 1895 werd de Boxer op
een tentoonstelling in München voor de eerste
keer als rashond geëxposeerd, en toen in 1896 in
München de Duitse Boxer Club werd opgericht, was
de toekomst van de Boxer verzekerd.Er werd een
stamboek aangelegd, en spoedig verbreidde de Boxer zich
zo snel, dat hij na ruim tien jaar op tentoonstellingen, wat aantallen betreft aan de
spits stond.
LAGE
LANDEN
Het is niet eenvoudig om een verklaring te vinden voor
de toenmalige populariteit van de Boxers. We kennen
slechts enkele feiten, en een daarvan is dat al in 1904
de Nederlandse Boxerclub werd opgericht. De eerste
importen kwamen rond de eeuwwisseling in Nederland en de
lage landen zouden een belangrijke rol gaan spelen bij
de ontwikkeling van het ras. De populariteit steeg in de
jaren twintig en dertig enorm, en in deze periode
begonnen Peter en Christine Zimmermann hun later zo
bekend geworden kennel 'Vom Haus Germania' op.
Rassen Standaard
Algemeen beeld:
De Boxer is
een middelgrote, gladharige hond met een vierkante en
sterke lichaamsbouw. Het beste kan men de Boxer
vergelijken met de atleet die in grote mate kracht en
snelheid in zich verenigt. De spieren zijn krachtig
ontwikkeld en duidelijk zichtbaar. De bewegingen zijn
zeer levendig, het lopen vast en elastisch met vrije en
ruime gang. De houding is fier en edel. Als
verdedigingshond moet de Boxer kracht en soepelheid
bezitten, die hem als begeleidingshond tot een
bekoorlijke tochtgenoot maakt. Alleen dat lichaam
waarvan de onderdelen op de juiste wijze met elkaar
verbonden zijn, geeft zekerheid tot hoog
prestatievermogen en zal aan deze verlangens kunnen
voldoen. Het is daarom dat de Boxer met zijn grote
gespierdheid nooit plomp of zwaar, maar evenmin te
gering in verschijning mag zijn. Het karakter is bij de
Boxer van het grootste belang. Zijn rustige aard en
grote aanhankelijkheid voor huisgenoten, alsmede zijn
bijzondere genegenheid voor het kind, maken de Boxer tot
een ideale huisgenoot. Het hoofd geeft de Boxer het hem
eigen stempel; het behoort in goede verhouding tot het
lichaam te staan en vooral niet te licht te zijn. Nog
sterker geldt dit voor de snuit, waarvan correcte vorm
en juiste maatverhouding tot de schedel van het grootste
belang zijn. Bij de algemene beoordeling moet men er
daarom in de eerste plaats op letten, dat de onderdelen
van het lichaam in de gewenste verhouding tot elkaar
staan, en dat zij voor zijn werk deugen. Daarbij moet
ook op een passende kleur worden gelet.
Hoofd:
De
schoonheid van het hoofd van de Boxer berust op de
harmonische maatverhouding tussen snuit en schedel. Van
welke richting het hoofd ook bezien wordt, van voren,
van boven of van opzij, de snuit mag nooit te klein
schijnen. Hoe dichter de breedte van de snuit die van de
schedel benadert, hoe beter. Daarbij moet echter de
diepte met de breedte in overeenstemming blijven. Een
zogenaamd kikvorsenhoofd is verkeerd. Het hoofd moet zo
droog mogelijk zijn, dus zonder te sterke plooien. Het
donkere masker moet zich tot de snuit beperken.
Bovendien zijn de ogen donker omzoomd. De lippen
voltooien de vorm van de snuit. Zij zijn zeer krachtig
ontwikkeld en verlopen in mooi gevormde bogen, scherp
afstekend in de droge hals.
Bovenlip:
De bovenlip
is dik en vol. Zij vult van voren de lege ruimte op,
welke door het naar voren steken van de onderkaak wordt
gevormd, en wordt door de ver naar voren staande, sterke
hoektanden gedragen. Daardoor ontstaat het voorvlak van
de snuit. Dit moet zo groot mogelijk, bijna vierkant
zijn en met de neusrug een stompe hoek vormen. De
onderste rand van de bovenlip rust op de rand van de
onderlip. Het omhoog gebogen deel van de onderkaak met
de onderlip, welke wij de kin noemen, moet iets voor de
bovenlip uitsteken. De kin moet dus zowel van voren als
van opzij gezien goed zichtbaar zijn, zonder
buldogachtig vooruitgeschoven te zijn. Wanneer de mond
gesloten is, mogen de tanden niet zichtbaar zijn.
Kaken:
De beide
kaken eindigen aan de voorzijde niet in een loodrecht
vlak, maar het ondergebit steekt vooruit en buigt zich
licht omhoog. De Boxer bijt ondervoor. De bovenkaak is
breed bij de schedel en verloopt ook breed, slechts
weinig naar voren versmallend. Zowel boven - als
onderkaak zijn dus van voren zeer breed. De hoektanden
staan zover mogelijk van elkaar verwijderd; de
snijtanden in een rij, in het bovengebit in een licht
naar voren gebogen, in het ondergebit in zoveel mogelijk
rechte lijn. Het gebit moet krachtig en gezond zijn.
Stop:
De stop is
scherp afgetekend en mag niet flauw zijn.
Bovenschedel:
De
bovenschedel is gewelfd, noch kogelrond, noch vlak en
mag niet te breed, de achterhoofdsknobbel niet te hoog
zijn. De neusrug mag niet als bij de Bulldog in het
voorhoofd zijn gedrukt, doch ook niet afvallen. Hij
wordt licht onderbroken, dat wil zeggen dat de punt van
de neus iets hoger dan de wortel ligt. De lengte van de
neus verhoudt zich tot de schedellengte als 1:2. Het
voorhoofd toont de goed aangegeven voorhoofdsgroef,
welke echter tussen de ogen niet te diep mag zijn. De
wangspieren zijn in overeenstemming met het krachtige
gebit ook krachtig ontwikkeld, zonder echter uit te
puilen. De oren moeten hoog zijn aangezet, spits
gesneden, niet te lang, de schelpen niet te breed en
loodrecht gedragen.
Ogen:
Het
zo donker mogelijke oog mag noch te klein zijn, noch te
vol, nog te diep liggen.
Het verraadt wilskracht en mag geen somber dreigende
indruk maken en nog minder stekend zijn.De juiste
uitdrukking is trouw-ernstig.
De neus:
Is
zo breed mogelijk, zwart en zeer licht opgewipt. Tussen
de wijde neusgaten ligt de neuslippengroef.
Hals:
Niet te kort en dik, maar behoorlijk lang. Daarbij
krachtig en gespierd, maar goed droog zonder kwabben.De
hals moet in een elegante boog in de rug overgaan,
waarbij de aanzet van de nek duidelijk zichtbaar is.
Voorhand:
De schouder
lang en schuin, goed gesloten liggend zoveel mogelijk
loodrecht, hij vormt een rechte hoek met het
schouderblad. De beide voorbenen moeten van voren gezien
recht zijn, aan elkaar evenwijdig staan en sterke stevig
aan elkaar verbonden knoken hebben. De ellebogen mogen
niet te sterk tegen de borstwand gedrukt zijn, doch ook
niet afstaan. De onderarm loodrecht, lang en met stevige
spieren. Voorkniegewricht kort, het moet goed, doch niet
overdreven zichtbaar zijn. Middenvoet kort, slechts
weinig schuin, bijna loodrecht op de bodem staand.
Voeten klein met gesloten, gebogen tenen (kattenvoeten)
en harde zolen.
Lichaam:
De borst diep, reikt tot de ellebogen. De borstdiepte
bedraagt de helft van de gehele hoogte van de Boxer
(haaks op de schoft gemeten). De ribben goed gewelfd,
maar niet tonvormig rond, ver naar achteren reikend, de
flanken kort en gespannen, de onderbuiklijn verloopt in
een elegante lijn naar achteren. De rug zo kort en recht
mogelijk, breed en sterk gespierd, de schoft iets hoger.
Lendenen:
Breed, kort en krachtig, buik goed opgetrokken. Kruis
breed en slechts licht aflopend.
Achterhand:
Zij is zeer sterk gespierd, welke spieren keihard en
goed onder de huid zichtbaar moeten zijn. De dij niet
smal en vlak, doch breed en rond, de broekspieren
eveneens sterk ontwikkeld. Dij- en schenkelbeen lang, de
hoeken bij de heup en in het kniegewricht zo weinig
mogelijk stomp. De knie moet in de normale stand zover
vooruitsteken, dat een uit de knobbels op het kruisbeen
naar de grond neergelaten loodlijn haar nog raakt. De
hoek van het spronggewricht moet ongeveer 140 graden
bedragen, de korte achter middenvoet gaat met een
geringe afwijking van 95 tot 100 graden naar de grond,
dus niet volkomen loodrecht. Van achteren gezien moeten
de achterbenen recht zijn. Het spronggewricht droog,
niet overdreven, met sterk hielbeen, de tenen voor
slechts iets langer. Staart op ongeveer 8 tot 10
centimeter ingekort, ontspringt hoog, opgewekt gedragen.
Beharing:
Het haar moet kort, hard en vlak aanliggend zijn. De
kleuren zijn geel of gestroomd. Geel komt in de meest
verschillende schakeringen voor van donker hertenrood
tot lichtgeel, maar de middentinten zijn het mooist (geel-rood).
Bij de gestroomde kleur zien wij een scala van lichte
goudstroom tot donkere stroming die er bijna zwart
uitziet. De grondkleur en de zwarte stroming moeten
duidelijk gescheiden zijn; de strepen mogen noch te
dicht bij elkaar noch hier en daar verspreid liggen. De
grondkleur moet helder zijn; grondkleur en stroming
mogen zich niet vermengen zodat de streperige tekening
verdwijnt. Witte aftekeningen zijn niet verwerpelijk, ze
kunnen zelfs een aangename werking hebben.Boxers met
witte grondkleur worden evenmin als zwarte, geheel witte
of anderskleurige in het stamboek opgenomen of op
tentoonstellingen toegelaten. Lelijke aftekeningen zoals
een geheel of halfwit voorhoofd moeten als niet-gewenst
worden beschouwd. De witté aftekeningen moet minder dan
een-derde van de grondkleur geel of gestroomd bedragen,
anders worden de honden als bonten beschouwd, die ook
niet in het stamboek worden opgenomen.
Grootte:
Reuen van 57 - 63 cm schofthoogte; teven van 53 - 59 cm
schofthoogte met de stok gemeten. Het gewicht van de
reuen loopt ongeveer van 30 - 32 kg en van de teven
ongeveer van 24 - 25 kg.
Gang:
De natuurlijke gang is de galop.
Fouten:
Plomp of buldogachtig uiterlijk, te lichte bouw, gebrek
aan evenredigheid, slechte conditie en het ontbreken van
adel. Buldog - of pinscher type, vlakke stop,
roofvogeloog, zichtbaar bindvlies, ontbreken van het
masker of zwak masker, de tanden komen te zien of de
tong, gebrekkig gebit, ontbreken der kin, te zwak
ontwikkelde lippen, kwijlen, slecht gecoupeerde en
slecht gedragen oren. Wammen, zwanenhals, te korte of te
plompe hals. Steile en te losse schouders. Franse stand,
zeer zwakke middenvoeten, slechte voeten.Lange, zadel -
of karperrug. Te brede, te smalle of vlakke borst,
hangbuik, aflopend kruis. Steile, stijve, te weinig
gebogen achterhand, gebrek aan spieren op de
achterbenen, koehakkigheid, O- of sabelbenen, nauwe
gang, Hubertusklauwen, zwakke spronggewrichten,
overhoekt (achterhand te ver naar achteren geplaatst) of
onderschoven, waggelende gang.
Opmerking:
Omdat er meerdere oordrachten bij het ongecoupeerde oor
mogelijk zijn (roze-oor, knop-oor, tip-oor) is op het
Internationale Boxercongres te Straatsburg in 1960
aangenomen dat het meest gewenste ongecoupeerde oor
klein en dun is en vlak tegen de wang wordt gedragen,
waarbij
de vouw iets boven het schedeldak uitsteekt. Tot op
heden is deze oordracht nog niet in de standaard
vermeld.
De keuring
In de
bekendste boxerlanden zoals Duitsland, Engeland,
Amerika, Zwitserland, Italië, Zweden, Frankrijk, België
en Nederland wordt de boxer door een specialist gekeurd.
Hier in Nederland kennen wij enige allround keurmeesters
die ook bevoegd zijn om ons ras te keuren. In al die
hiervoor genoemde landen geschiedt het keuren volgens
het plaatsingssysteem. Dit is een systeem waarbij de
keurmeester in iedere klas de honden na beoordeling in
een bepaalde volgorde plaatst. Uit praktische
overwegingen worden per klas slechts de beste honden
geplaatst en de overige de ring uitgestuurd, zodat de
vier beste honden overblijven.
Per klas kunnen de boxers, ook nog gekeurd worden naar
kleurvariëteit m.a.w., de gele en de gestroomde boxers
worden gescheiden gekeurd, zoals bijvoorbeeld in
Duitsland, Frankrijk, België gebruikelijk is. Behalve
dit keuren op plaatsingen kennen wij ook nog het systeem
om de boxers stuk voor stuk een kwalificatie toe te
kennen, namelijk 'uitmuntend', 'zeer goed', 'goed', en
'matig' en daarnaast zijn er landen waar men een
'puntenstelsel' gebruikt. U ziet dat er heel wat
mogelijkheden en manieren zijn om de boxer te keuren en
het zou te ver voeren om deze stuk voor stuk te
bespreken met alle voor en nadelen die hieraan verbonden
zijn. Vooral ook omdat ieder land zijn eigen richtlijnen
heeft en zijn systeem het beste vindt.
Ik wil derhalve volstaan met een beschrijving van de
wijze waarop in Nederland gekeurd wordt. Tevens wil ik
het 'kwalificatiesysteem' en ter informatie en
vergelijking, het puntenstelsel behandelen. In Nederland
dient de keurmeester die benoemd is door de Raad van
Beheer op Kynologisch Gebied te keuren volgens de
richtlijnen die door deze Raad zijn verstrekt en aan de
hand van de officiële standaard. Onze keurmeesters
keuren zonder catalogus zodat ze van te voren niet
kunnen weten welke honden ter keuring voorgebracht
zullen worden en welke tentoonstellingsresultaten deze
honden op voorgaande tentoonstellingen hebben bereikt.
De keurmeester mag vragen richten aan de exposant maar
mag nooit in overleg treden met derden omtrent de
kwalificatie van de hond. In Nederland is de keurmeester
verplicht om alle door hem gekeurde honden te
kwalificeren maar hij mag slechts de vier beste honden
van elke klas, ongeacht de kwalificatie, plaatsen. Hij
dient deze vier honden op een voor de exposanten en
publiek duidelijke wijze te plaatsen. Teneinde tot
aanwijzing van de Kampioen en Reserve Kampioen over te
gaan, zal hij aan het einde van zijn klassenkeuringen,
uit elke klas de als nummers één geplaatste honden, mits
deze de kwalificatie 'uitmuntend' hebben gekregen, tegen
elkaar doen uitkomen. Vervolgens maakt hij voor de
aanwijzing van Reserve Kampioen een keus uit de
overgebleven honden, aangevuld met de als nummer twee
geplaatste hond uit de klas van waaruit de Kampioen
afkomstig is, mits ook deze de kwalificatie 'uitmuntend'
heeft.
In Nederland kennen wij de volgende klassen waarvoor
door de exposanten kan worden ingeschreven: open klas
(honden die minstens 15 maanden oud zijn),
gebruikshondenklas (honden die minstens 15 maanden oud
zijn en als zij 'niet-jachthonden' zijn, dienen zij in
het bezit te zijn van een africhtingcertificaat),
fokkersklas (honden ouder dan 9 maanden waarvan de
fokker tevens eigenaar is), jeugdklas (honden van 9 tot
24 maanden), kampioensklas (honden die een erkende
nationale of internationale kampioenstitel hebben) en
groepsklas (een groep van minstens drie honden van
hetzelfde ras (variëteit) ongeacht het geslacht en
eigendom van dezelfde exposant).
Aan het eind van de keuring komen de Kampioen reu en
Kampioen teef tegen elkaar uit zodat de keurmeester kan
uitmaken wie tot Beste van het ras wordt verkozen. De
uitspraken van de keurmeester zijn onherroepelijk en
deze uitspraak wordt geacht te zijn vastgesteld zodra de
keurmeester de door hem ondertekende slip uit het
keurboekje heeft afgegeven of zodra hij de kaart heeft
ondertekend waarop de beste honden zijn vermeld. Als
handleiding voor de toekenning van de kwalificaties is
door de Raad van Beheer het volgende bepaald:
Uitmuntend
Dit predikaat kan slechts aan die honden worden
toegekend, die het voor hun ras te stellen ideaal zeer
nabij komen en daarvan slechts door kleine
onvolmaaktheden of door een enkele zeer geringe fout
afwijken. Deze kwalificatie kan ook slechts worden
toegekend aan honden waarvan de kwaliteit van dien aard
is dat een kampioenschapprijs hun niet op grond van
gemis aan kwaliteit zal worden onthouden
Zeer goed
Wordt
toegekend aan honden die het ideaal wel nabij komen,
doch door verscheidene onvolmaaktheden, dan wel door één
enkele fout van iets ernstiger aard, niet in aanmerking
komen voor het predikaat 'Uitmuntend'.
Goed
Wordt toegekend aan honden, die als type van het ras
goed voldoen, geen storende fouten hebben, doch die door
het aantal of de graad van hun onvolmaaktheden, dan wel
door gemis aan hoge kwaliteiten, te zeer van het voor
het ras te stellen ideaal afwijken om het predikaat
'Zeer Goed' te verkrijgen.
Matig
Wordt toegekend aan honden die aan de in deze
raspunten gestelde eisen voldoen en geen te storende
fouten tonen. Voor het onderzoek van het gebit zal de
keurmeester degene de hond voorbrengt verzoeken hem dit
te tonen. Eerst wanneer daaraan niet, of althans naar
het oordeel van de keurmeester niet voldoende wordt
voldaan, kan deze zelf de nodige maatregelen nemen. Het
is dus zaak dat exposanten hun boxer leren om het gebit
te laten zien om te voorkomen dat er zoals maar al te
vaak voorkomt een worstelpartij in de ring ontstaat
tussen boxer en voorbrenger. Tot zover dan het
Nederlandse systeem. En nu ter informatie en
vergelijking de puntentelling. Dit systeem wordt door
diverse Duitse keurmeesters als richtlijn toegepast bij
het geven van kwalificaties. De stelling bestaat uit
twee gedeelten, namelijk een tabel met 'positieve
punten' (A) en een tabel met 'negatieve punten' (B). Het
is de bedoeling dat de keurmeester eerst de boxer
beoordeelt volgens tabel A en daarna tabel B hierin
verwerkt om uiteindelijk aan een kwalificatie te komen.
De tabellen zijn als volgt samengesteld:
|
Positieve punten (A) |
|
|
Negatieve punten (B) |
|
| |
|
|
|
|
|
Hoofd |
20 |
|
Hoofd onvoldoende Typisch |
20 |
|
Lengte en vorm nek |
5 |
|
Tong laten zien |
15 |
|
Vooraanzicht (front) |
8 |
|
Tanden laten zien |
20 |
|
Borst (vorm en diepte) |
5 |
|
Te
lichte ogen |
5 |
|
Rug en lendepartij |
8 |
|
Keelhuid |
5 |
|
Kruis (croupe) |
5 |
|
Onvoldoende front |
10 |
|
Achterhand |
10 |
|
Steileachterhand |
10 |
|
Voeten |
4 |
|
Onvoldoende massa |
10 |
|
Massa |
10 |
|
Slecht gebit (missen van tanden en kiezen) |
5 |
|
Gangwerk |
8 |
|
|
|
|
Temperament |
5 |
|
|
|
|
Algehele verschijning |
12 |
|
|
|
|
TOTAAL |
100 |
|
TOTAAL |
100 |
De Duitse
keurmeester beoordeelt dus allereerst de hond volgens de
punten die in tabel (A) worden genoemd en komt na
optelling van de door hem gegeven punten bijvoorbeeld
tot een waardering van 'totaal 85'. Vervolgens
beoordeelt hij de hond volgens tabel (B) en komt tot een
waardering van (bijvoorbeeld 'totaal 21') Hij trekt dan
het puntentotaal B van het puntentotaal A af en komt
uiteindelijk tot een eindresultaat van 64 punten. De
toepassing van de puntentelling is:
1 tot en met 10 Geen kwalificatie
11 tot en met 40 Matig
41 tot en met 60 Goed
61 tot en met 80 Zeer Goed
81 tot en met 100 Uitmuntend
De boxer van ons voorbeeld komt dus met zijn
eindresultaat van 64 punten tot de kwalificatie Zeer
Goed. Wat opvalt in dit systeem is dat nergens wordt
gesproken over het haar (kleur, glans en structuur) en
dat, typisch Duits, gebitsfouten bijzonder zwaar worden
aangerekend. Een boxer met gebitsfouten kan bijna niet
hoger komen dan 80 punten. Niet alleen de Duitse
keurmeester, maar ook de Franse keurmeester gebruikt een
puntentelling als richtlijn voor de vaststelling van
zijn kwalificaties. De Franse telling bestaat echter
niet uit twee tabellen waarbij moet worden opgeteld en
daarna afgetrokken, maar hierbij is het een kwestie van
waardering van bepaalde kenmerken om uiteindelijk te
komen tot de kwalificatie. De Franse puntentelling is
als volgt:
|
Hoofd: schedel, 0ren, snuit,lippen, kaken,
neusrug, tanden |
25 |
|
Hals: waarbij inbegrepen schouderligging en
frontaanzicht |
15 |
|
Borst: waarbij inbegrepen rug, kruis en
buiklijn |
15 |
|
Achterhand en achteraanzicht |
15 |
|
Haar, hoedanigheid, kleur |
5 |
|
Voeten |
5 |
|
Andere kenmerken zoals:vierkante bouw,
gangwerk,massa,masker,conditie en
totaalbeeld |
20 |
|
Totaal |
100 |
De toepassing van de puntentelling is gelijk aan die van
de Duitse methode en een boxer met 64 punten komt ook in
dit systeem aan de kwalificatie 'Zeer Goed' Of het
Nederlandse systeem met zijn omschrijvingen van de
kwalificaties beter dan wel minder is dan de Duitse of
Franse puntentelling wil ik hier niet ter discussie
stellen, maar de praktijk heeft wel uitgewezen dat een
boxer die in Nederland een bepaalde kwalificatie
behaalt, deze kwalificatie in het buitenland ook altijd
behaalt en soms zelfs een hogere kwalificatie krijgt.
Ons systeem zou derhalve ook in het buitenland voldoen.
Kampioenen
Het voornaamste voor een rasvereniging is echter het
peil waarop het ras staat. Het doel van een
rasvereniging is het veredelen van het ras, m.a.w.
proberen te zorgen dat het ras volgens de geldende
standaard zo perfect mogelijk wordt gefokt. Een
statistisch bewijs voor het "hoog staan" van een hond is
het toekennen van een kwalificatie. In onze kynologie
kent men, al naar gelang de kwaliteit van de hond, de
kwalificaties: Matig (M), Goed (G), Zeer Goed (ZG) en
Uitmuntend (U). Als, een hond de kwalificatie Uitmuntend
behaalt wordt hij geacht waardig te zijn om een
kampioenstitel te behalen. In de praktijk is het echter
zo, dat vele honden de kwalificatie Uitmuntend behalen
doch dat slechts weinige, om preciezer te zijn héél erg
weinige, Kampioenschappen behalen. In de loop van onze
boxerhistorie zijn er duizenden en nog eens duizenden
boxers die de hoogste kwalificatie Uitmuntend behaald
hebben terwijl er van 1906 tot 1985 slechts ruim honderd
boxers de titel Nederlands Kampioen hebben behaald. Om
namelijk kampioen te worden moet men de concurrerende
uitmuntende honden verschillende keren verslaan. Dit
moet gebeuren in een vrij kort tijdsbestek - de hond
wordt niet oud, want maar enkele jaren van zijn leven is
hij mooi genoeg om mee te dingen op de shows naar de
titel Kampioen op slechts een klein aantal shows, welke
elk jaar georganiseerd worden. Al met al wil ik
eigenlijk alleen maar duidelijk maken dat het echt niet
zo simpel is om een kampioen te hebben c.q. te fokken.
Vanzelfsprekend is het dan, dat het gefokt hebben van
een kampioen de werkelijk grootste trots van een fokker
is. Heeft een fokker zo'n kampioen "voortgebracht" dan
is hij eigenlijk de trots van de rasvereniging, want hij
heeft gedaan, gepresteerd waar de rasvereniging voor
bestaat: het veredelen van het ras. Hierna volgt een
summiere uitleg wat voor soort Kampioenstitels onze
boxer kan halen en hoe hij die krijgt toegekend.
Nederlands
kampioen:
De titel Nederlands Kampioen wordt een boxer toegekend
als hij in totaal vier keer beste van zijn geslacht is
geworden op een door de Raad van Beheer goedgekeurde
C.A.C. tentoonstelling in Nederland. Het laatste van die
vier kampioenschappen, zoals
dat-beste-van-het-geslacht-worden heet, moet behaald
worden als de boxer ouder is dan 27 maanden. Sinds
enkele jaren tellen vier Reserve Kampioenschappen (d.i.
tweede-beste-worden v.h. geslacht) als één
kampioenschap. Onlangs is nog een versoepeling gekomen
voor de boxer die vóór zijn 27 maanden, reeds 4
kampioenschappen heeft. Hij hoeft dan na de 27 maanden
nog slechts één Reserve Kampioenschap te halen om zich
definitief Nederlands Kampioen te kunnen noemen.
Internationaal kampioen:
Het
behalen van een internationale kampioenstitel is slechts
voorbehouden aan die boxer die een door de F.C.I. erkend
africhtingscertificaat heeft behaald zoals: Schutzhund,
IPO, VH enz. Zonder dat de boxer dus gebruikshond is kan
hij geen enkele Internationale Kampioenstitel behalen.
De titel Internationaal Kampioen wordt dus aan die boxer
toegekend, die in het land van herkomst of het
"standaardmoederland", resp. dus Nederland of Duitsland
een C.A.C.I.B. (beste-van-het-geslacht) heeft behaald en
een C.A.C.I.B. in een ander land. Tussen het eerst en
het laatst behaalde C.A.C.I.B. moet één jaar liggen. Een
C.A.C.I.B. kan in de jeugdklas niet behaald worden.
Wereldkampioen
Om wereldkampioen te worden moet de boxer op de
jaarlijks terugkerende, ergens op de wereld, telkens in
een ander land gehouden Wereldtentoonstelling het
Kampioenschap, dus C.A.C.I.B., behalen. Op dit moment
moet de boxer daarbij nog een gebruikshondencertificaat
hebben en op de wereldtentoonstelling ingeschreven zijn
in de Wereldkampioensklas, 'n klas waarin alleen honden
met een internationale, door de F.C.I. erkende,
Kampioenstitel kunnen worden ingeschreven.
Nationaal
kampioen in een ander land
In deze kampioenenparade zijn ook die Nederlandse boxers
opgenomen, die elders in Europa een nationale
kampioenstitel hebben behaald. Elke nationale
kynologische organisatie heeft eigen regels voor het
behalen van de kampioenstitel. Zo heeft bv. Frankrijk
een kampioenschap voor zowel geel als gestroomd, terwijl
in Duitsland Das Verband für das Deutsche Hundewesen de
titel V.D.H. Sieger weer laat behalen middels een
ingewikkelde samenstelling van telkens klassen winnen op
zowel Zuchtschaus als C.A.C.I.B.'s. Het is gewoon
ondoenlijk om al die geldende nationale regels hier te
gaan opsommen.
Atibox-Sieger
Elk jaar
word er in een ander land een internationale boxer
tentoonstelling wordt gehouden door de bij de ATIBOX
aangesloten landen. Wordt men op die tentoonstelling
beste van het geslacht in een bepaalde kleurslag, dan
kan men zich gelukkig noemen de zeer begeerde titel
Atiboxsieger te bezitten.
Bron: Ken uw Boxer door C.M. Pleyte
De boxer als huisgenoot
Hondse
theorie
De
hond is een dier, dat in de vrije natuur niet voorkomt
maar slechts in gedomesticeerde, tot
huisdier geworden staat.
Wanneer we weten dat de hond een afstammeling is van de
wolf en eventueel de jakhals, dan kan men verwachten
dat, hoewel enigszins getemperd door domesticatie, een
aantal eigenschappen nog steeds in hem aanwezig is.
Voor een goed begrip moeten wij drie eigenschappen van
de hond kennen.
-
Zijn hondse eigenschappen die van hond tot hond kwantitatief wel eens wat verschillen;
-
Zijn rasgebonden eigenschappen, de door de mens door middel van doelbewuste selectie
in gefokte hoedanigheden waardoor vaak andere hoedanigheden werden onderdrukt;
-
Zijn individuele eigenschappen, gedeeltelijk aangeboren en voor een deel voortgekomen
uit opvoeding en ervaring.
|
Reukdier
Bij de mens is het gezichtsvermogen het
belangrijkste zintuig in zijn dagelijks
leven. Hij ziet het pad dat hij moet
lopen, het boek dat hij pakt, de
werktuigen waarmee hij werkt en het
resultaat van zijn handvaardigheid. Hij
ziet ook de gedragingen van zijn hond.
Geheel anders is het met zijn hond. Op
zintuiglijk gebied is hij in de eerste
plaats een reukdier. Snuffelend volgt
hij het spoor van baas, wild en
soortgenoten. Bij zijn wandeling op
straat geeft iedere straathoek, boom of
wat dan ook een andere reukindruk. Zijn
reuk stelt hem in staat de stukken vlees
uit zijn voedsel te zoeken. Hij leeft in
een geurenwereld van wier rijkdom de
mens zich nauwelijks een voorstelling
kan maken. Loopt u met hem in een
winkelstraat dan zullen de voor zijn
baas begeerlijke goederen in mooi
opgemaakte etalages hem niet
interesseren, maar bij de slagerswinkel
blijft hij staan en die heeft nu juist
de belangstelling van zijn baas niet.
Als hij blind en bijna doof geboren
wordt, is het zijn, dan reeds sterk
ontwikkeld reukorgaan, dat hem de tepel
doet vinden. Oud geworden zal zijn
gehoor en reukver mogen sterk afnemen,
maar zijn reuk laat hem nooit in de
steek. Ook zijn gehoor is beter dan dat
van de mens. Hij hoort scherper en meer.
Zijn gezichtsvermogen geeft, dit geheel
in tegenstelling tot de mens, minder
leiding aan zijn gedragingen. Kortom,
zijn leven komt niet uit boven de sfeer
van het dierlijk vitale. |
|
Twee werelden
In het samenleven van mens en hond lopen
twee werelden in elkaar over. Samenleven
kan alleen dan lukken als de liefde van
de mens voor zijn hond en de
aanhankelijkheid van de hond voor zijn
baas op een goede basis worden
opgebouwd. Wie zich in de omgang met
zijn hond het verschil tussen honden en
mensenwereld niet voor ogen houdt, zal
zijn gedragingen nooit kunnen begrijpen.
Uitgangspunt hiervoor is dat de mens
niet verhondst is maar de hond
vermenselijkt. Het is een geleidelijk
proces geweest dat met wolveewelpjes is
begonnen. Door selectie op eigenschappen
en mutaties zijn rassen ontstaan. De
mens heeft steeds de aanwezige
hoedanigheden uitgekozen en verder
gefokt. Biologisch staat de hond verder
van ons af dan de aap. Toch is hij onze
metgezel en niet de aap. Hij is over de
drempel van ons huis gekomen en heeft
een intieme relatie met de mens
aangeknoopt. Dat kon alleen de hond!
Hiervoor betaalt hij zijn tol. Veel wat
hem aangeboren is moeten wij hem afleren
en de dingen die hij niet kent moeten
worden aangeleerd. Pas echter op voor
overdrijving. Hoe meer wij erin slagen
van de hond een mens te maken, hoe erger
het voor de hond is! Per ras zijn er
duidelijke verschillen. Ook al denkt u
de aanschaf goed te hebben overwogen,
later blijkt dat te veel op uiterlijk en
niet of nauwelijks op de voor het ras
kenmerkende eigenschappen is gelet. De
echte hond zit van binnen! |
|
U maakte reeds uw keuze: "De boxer"
Dit verhaal is uiteraard niet geschikt
voor het geven van preventieve
aanwijzingen.
U heeft reeds gekozen en wel voor de
boxer die, zoals u in het historisch
overzicht kunt lezen, een hond is die
werd gefokt uit soorten waarvan de
voornaamste taak het vechten was. Zijn
voorouders beleefden een aantal stadia
dat gekenmerkt werd door moed,
vechtlust, bewakings en
verdedigingsdrift en vooral trouw aan
zijn meester. Het waren taken die hij
samen met of voor zijn meester
uitvoerde. Deze taken passen niet meer
in onze samenleving, zodat zijn aanleg
vervlakte en zelfs in de afgelopen 90
jaar in zekere mate werd uitgefokt. Wat
bleef is zijn trouw en
aanpassingvermogen. Nu is hij
huisgenoot. Weer een taak die hij weet
waar te maken
Hoe is de relatie?
Terwijl u deze vraag leest ligt uw boxer
waarschijnlijk in uw naaste omgeving.
Kijk eens naar hem en vraag hem op de
man af wat hij van zijn hondenleven
denkt. Als het goed is zullen zijn
ogen
direct op scherp draaien, de oren worden
van achter naar voren en terug bewogen
en zijn staart (pleziermeter) zal
kwispelen. Nu snel verder lezen anders
staat hij al naast u en kunt u internet
wel vergeten. Hij is gereed voor een
spelletje of een straatje om. Het is
tenslotte uw eigen schuld. U maakte hem
wakker terwijl hij u de kans gaf rustig
te lezen. Hopelijk gaan zijn oren niet
plat naar achteren en/of staat hij op en
denkt: "Wat doe ik nu weer verkeerd?"Dan
zit er iets fout in de relatie en daar
moet u dan eens ernstig over nadenken.
Het is niet mijn bedoeling u in het
volgende te vertellen hoe men met een
boxer moet omgaan. Er zijn vele manieren
om het goed te doen. Het is hoogstens
een beknopte wegwijzer voor het opbouwen
van een goede relatie met uw boxer
waarbij ik zal wijzen op zijn talenten
en tekortkomingen. |
Let op uw boxer!
Hiermee bedoel ik niet dat u hem moet behoeden
voor gevaren, dat is vanzelfsprekend. Ik doel op
het waarnemen van zijn gedragingen. Daar kunnen
wij veel van leren en wat belangrijker is, uw
boxer waardeert uw belangstelling en dat
versterkt de band. Hoe meer u samen met hem
beleeft door dingen samen met hem te doen of te
laten merken dat u het opmerkte, hoe beter uw
relatie met hem zal zijn. Het zijn vaak korte
momentjes. Als ik met mijn boxers wandel loopt
onze reu vaak langs mij heen en stoot zijn neus
in mijn handpalm om te melden dat hij er nog is.
Ik ben immers zijn baas. Mijn reactie is dan
even te vragen of alles goed gaat. Dan kwispelt
zijn
staart even als antwoord en dat is voor mij een
fijn moment van verstandhouding. Een ander
voorbeeld. Het is, nu ik aan mijn hoofdstuk zit
te schrijven, half juli en de wilde rozen langs
de route, die ik dagelijks met mijn boxers
wandel zijn uitgebloeid en produceren nu
rozenbottels van wel 3 cm doorsnede. Als ze
gerijpt zijn pluk ik er dagelijks een aantal van
en gooi ze weg. De honden gaan er achteraan,
pakken ze op en meestal worden ze opgegeten. Een
leuk spel en rozenbottels zitten vol vitamine C.
Vorige week liep onze oude teef naar de
struiken, rook aan een rozenbottel en keek mij,
met haar door blauwe staar enigszins
vertroebelde ogen, vragend aan. Ik moest haar
zeggen nog een week te wachten tot ze rijp zijn.
Daar heeft ze niets van verstaan maar wat ze wel
begreep is dat ik niet aan haar wens kon
voldoen. Kunt u zich haar teleurstelling
voorstellen als ik haar vraag niet had
opgemerkt? Zulke dingen mis ik niet graag. Het
observeren van uw hond heeft ook praktische
voordelen. Veranderingen in gedrag, prestatie of
gangwerk die het gevolg zijn van een blessure of
ziekteverschijnselen worden direct door u
opgemerkt en uw waarnemingen kunnen de arts vaak
helpen bij het stellen van een diagnose.
Geef u boxer werk
De standaard zegt dat uw boxer een atleet is.
Wat hij verzuimt te zeggen is dat er
verschillende soorten atleten zijn. Lange
afstandlopers en sprinters, gewone en
polsstokhoogspringers etc. Is bij mensen de
soort sport een eigen keuze waarbij de
aangeboren aanleg pas later blijkt, bij de hond
is zijn constructie medebepalend. Onze boxer met
zijn kort, vierkant, gespierd lichaam is gebouwd
op een felle maar korte prestatie, in
tegenstelling tot bijvoorbeeld de St. Bernard
die trager is maar het uren vol kan houden. Een
voorbeeld van de sprintsnelheid van onze boxer
kreeg ik een aantal jaren geleden toen ik op een
zondagmorgen bij een training van jonge
windhonden stond te kijken. Ik had drie honden
bij mij, maar slechts twee lijnen en besloot dat
ik de jongste wel zonder lijn onder appèl kon
houden wat, toen er gestart werd, niet lukte.
Zij zag ook wel iets in de haas en ging er
achteraan. Gelukkig voor mij, tot groot plezier
van de windhondenmensen. Voor het inhalen van de
bij de start opgelopen achterstand had ze
nauwelijks
100 meter nodig, waarna zij de windhonden
voorbij liep. Halverwege de baan werd zij echter
weer ingehaald en was het met haar snelheid
afgelopen. Zij raakte achter, ging over in draf
om daarna dwars over de baan diep teleurgesteld
terug te keren. Het vermogen van onze boxer
bijna loodrecht op te springen is bij het
begroeten een gave waarmee wij moeten oppassen.
Menig bezoeker of eigenaar heeft hiermede een
blauw oog of een gekneusde neus opgelopen. Zijn
beweeglijkheid en kracht behoeven regelmatig een
uitlaatklep. Is hij huishond, dan moet hij het
van u hebben. Geef hem dus wat te doen en dat
noem ik werk.Het meest voor de hand ligt de
wandeling die wij kunnen aanvullen met het
aanleren van handelingen, activeren van zijn
belangstelling en de ontwíkkeling en
instandhouding van zijn spieren. Gooi zijn bal
of stok eens tussen het hoge gras of in de
struiken en leer hem, onder het uitroepen van
het bevel "zoek" de bal of stok terug te vinden.
Door met hem mee te zoeken leert hij het
eenvoudig en u geniet van zijn kompetitie om het
voorwerp eerder dan zijn begeleider te
ontdekken, hetgeen hem meestal lukt. De manier
waarmee hij dan met zijn buit wegloopt spreekt
boekdelen over zijn belevenis van deze
overwinning. Zo zijn er heel wat spelletjes te
bedenken. Verbied hem niet de eenden in het
water te jagen. Hij vangt ze toch niet, want het
is een wat ongecontroleerde uiting van zijn
jachtdrift die nog in hem aanwezig is. Voor de
eenden is het trouwens nuttig. Die zijn door het
veelvuldig voeren door mensen zo brutaal
geworden dat ze zelfs voor een auto niet meer
opzij gaan. Uw boxer maakt hun vluchtdrift weer
wat wakker. Een
boxer is attent op alles wat er rond hem
plaatsvindt. Als hij plotseling blijft staan
omdat iets hem boeit, ga naar hem toe en probeer
het object van zijn belangstelling te ontdekken.
Als er aarzeling is om het voorwerp te
benaderen, spreek hem dan toe en loop er samen
met hem heen. Het is vaak wat onzekerheid als
gevolg van de beschermde omgeving waarin hij bij
u leeft. Help hem een handje en verklaar het
niet als lafheid. Lafheid bij een boxer is het
gevolg van een verkeerde opvoeding of een
karakterfout. Een ander leuk spelletje is
touwtrekken. Een goede oefening voor de spieren
van u beiden en voor hem ook de kaakspieren, die
tegenwoordig met het verwerken van hapklare
brokken toch al niet overbelast worden. Niet
kwaad worden als u met het touwtrekken niet van
hem kunt winnen. Springen is ook een goede
oefening voor zijn spieren, hoewel wij hier niet
te vroeg mee moeten beginnen. Neem hem aan de
lijn en laat hem wat lage obstakels nemen. Als
hij niet meer probeert eromheen te lopen, de
hoogte langzaam opvoeren en dan merk je al
spoedig dat hij er plezier in gaat beleven.
Vooral als uw fitheid toelaat dat u met hem mee
springt. Ik maak gebruik van de boomstammen bij
een houtzagerij die ik op mijn dagelijkse
wandeling passeer, maar er is altijd wel wat te
vinden. Gooi anders zijn stok of bal over een
sloot. Zorg ervoor dat uw boxer minimaal éénmaal
per dag moe thuiskomt. Een boxer die te weinig
beweging heeft wordt vervelend of verandert in
een corpulente sukkelaar.
Een boxer is geen watersporter.
Het sprookje dat boxers niet van water houden en
zelfs een hekel hebben aan regen moet u maar
vergeten. Althans mijn boxers gaan ook graag mee
wandelen als het regent en gedragen zich net zo
als bij droog weer. Als ik tijdens het weekend
's morgens vroeg met hen naar het Haarlemmermeer
bos ga, zijn ze op 100 meter van het meer niet
meer te houden. Als ik er dan aankom, springen
of draven ze al door het water en hebben ze
plezier voor tien. Zwemmen was er echter niet
bij. Ik weet waarom: "Boxers zijn slechte
zwemmers!" Het waarom kan ik u niet
wetenschappelijk verklaren. Wel ben ik tot een
veronderstelling gekomen. Het zwaartepunt van
de boxer ligt kort achter de flank in de borst.
Hierdoor komt de rug tamelijk vlak in het water
te liggen waardoor het hoofd onvoldoende boven
water wordt gehouden. Het gevolg is dat de
luchtwegen regelmatig onder water verdwijnen.
Door steeds een stok iets verder in het water te
gooien, heb ik twee van mijn boxers aan het
zwemmen gekregen, maar het blijft een matige
vertoning. Nog een voorbeeld is de manier waarop
de boxer de stok uit het water pakt. Honden die
met het hoofd ruim boven water zwemmen, bijten
de stok vast en gaan gewoon door. Een boxer moet
even stoppen als hij de stok vastbijt en
verdwijnt soms even geheel onder water. Ook hier
zullen uitzonderingen de regel bevestigen en
kent u boxers die spontaan zwemmen. Voor mij is
één ding zeker! Bij een zwemwedstrijd voor alle
rassen zal onze boxer zeker niet bij de eerste
vier eindigen.
Soms is hij een lastige snuffelaar
U
heeft kunnen lezen dat honden bij uitstek
reukdieren zijn. Hoewel het reukorgaan van alle
honden bijna even sterk ontwikkeld is, bestaat
er wel een rasgebonden gebruik. Vooral jacht en
speciaal de drijf of zweethonden hebben het
druk met hun neus. Het vinden en volgen van een
spoor was immers een deel van hun werk. Hoewel
boxers graag een spoor afruiken en desnoods
volgen, zijn ze snel afgeleid of wordt de drang
om hun baas te volgen te groot. Het maakt hem
tot een prettige wandelaar in tegenstelling tot
de rassen die niet van een plekje weg te krijgen
|